Catechese van

Albino Luciani – Paus Johannes Paulus I

De HOOP

De hoop was, voor Paus Johannes-Paulus I

de tweede onder

"de zeven toortsen

op de weg van een heilige levenswandel".

Vandaag zou ik het met u willen hebben
over deze deugd,
die voor christenen zo onontbeerlijk is.

1. Verplichte examenstof
In zijn 'Divina Commedia' (de goddelijke comedie) 1, in het deel namelijk dat gaat over het Paradijs, heeft Dante beschreven hoe hij een 'examen' moet ondergaan in het christen-zijn. De examen-commissie bestaat uit voortreffelijke lieden! Het is allereerst de heilige Petrus die hem een vraag stelt: 'Heb je geloof?' Dan voegt de heilige Jacobus daar zijn vraag aan toe: 'Heb je hoop?' en tenslotte is het Johannes die hem vraagt: 'Heb je liefde?' En het antwoord van Dante luidt: 'Ja, ik geloof, ik hoop en ik heb lief.' En hij kan dat dan nog bewijzen ook! Dante is 'cum laude' voor zijn examen geslaagd.

Zoals ik al zei: de hoop is voor de christen iets onontbeerlijks. Tegelijk is waar dat de hoop hem niet zwaar of moeilijk valt. Integendeel! Wie vanuit de hoop leeft, die draagt een sfeer van vertrouwen en overgave met zich mee door het leven, terwijl hij met de psalmist zegt:

'Heer, U bent mijn rots,

mijn schild,

mijn sterkte,

mijn toevlucht,

mijn licht,

mijn herder,

mijn heil ...

Al stellen zij zich in slagorde tegen mij op,

mijn hart zal niet wankelen;

al woedt er een oorlog tegen mij,

ik blijf vertrouwvol in vrede.'

    U zult zeggen: 'Overdrijft de psalmist niet een beetje in zijn enthousiasme? Of is misschien voor hem alles van een leien dakje gegaan?' Nee, dat is beslist niet zo! Ook hij weet, en hij zegt dat trouwens ook, dat het heel dikwijls zo is dat de slechten geluk hebben, terwijl de goeden het slecht hebben. Ja, hij heeft zich daar menig keer over bij de Heer beklaagd, en ging daarbij zelfs zover dat hij zei: 'Waarom slaapt U, Heer? Waarom zwijgt U? Ontwaak, Heer, en luister naar mij!' Toch is hij blijven hopen, met een vast en onwrikbaar vertrouwen.

    1. Tegen alle hoop in?

    Op de psalmist, maar ook op allen die hopen, is van toepassing wat de heilige Paulus heeft gezegd over Abraham: 'Tegen alle hoop in heeft hij gehoopt en geloofd'. (Rom. 4, 18)

    En weer zult u zeggen: 'Hoe is zoiets nou toch mogelijk?' Wel, zoiets is mogelijk omdat het berust op drie waarheden:

    1. Dat God almachtig is.
    2. Dat Hij mij mateloos liefheeft.
    3. Dat God zijn beloften trouw blijft.

    Het is deze God van erbarmen die in mij die vertrouwvolle vrede doet ontbranden, waardoor ik mij niet eenzaam voel, noch nutteloos, en ook niet verlaten: ik mag mij immers opgenomen weten in zijn heilsplan dat eens zal uitmonden in het paradijs.

    Ik heb zojuist een toespeling gemaakt op de psalmen. Maar dezelfde zekerheid en gerustheid is ook te vinden in de boeken van de heiligen. U zou eens de paaspreek van de heilige Augustinus moeten lezen over het Alleluja. 'Het ware Alleluja' - zo zegt hij ongeveer - 'dat zullen we pas in het paradijs zingen. Dat zal het Alleluja zijn van de liefde die haar vervulling gevonden heeft. Het Alleluja dat wij nu zingen, dat is het Alleluja van de vurig verlangende liefde, van de hoop.'

    Iemand zou nu wellicht willen opwerpen: 'En als ik een arme zondaar ben ... ?' Ik zal hem het antwoord geven dat ik eens een keer aan een onbekende vrouw heb gegeven, die jaren geleden bij mij gebiecht heeft. Zij had de moed verloren omdat ze, zoals ze dat noemde, 'een veelbewogen leven' achter de rug had. 'Mag ik u vragen, zei ik, hoe oud u bent?' - Vijfendertig', was het antwoord. 'Vijfendertig!', zei ik, 'maar dan hebt u nog zo'n veertig of vijftig jaar voor de boeg, en dan kunt u nog heel veel goeds doen! U hebt nu getoond dat u echt berouw hebt. Voortaan moet u niet meer denken aan wat geweest is, maar aan de toekomst: begin met Gods hulp een nieuw leven!'

    Bij die gelegenheid heb ik de heilige Franciscus van Sales aangehaald, die het over' onze kostbare onvolmaaktheid' heeft. Ik zei haar: 'God heeft weliswaar een afkeer van de fouten omdat het nu eenmaal fouten zijn. Maar ergens is het ook zo dat hij van onze zonden houdt, omdat ze Hèm de gelegenheid geven zijn barmhartigheid te tonen, en ons om deemoedig te blijven en om begrip en medelijden te hebben jegens de fouten van anderen.'

    1. De deugd van de zwakken?

    Niet iedereen deelt overigens in mijn sympathie voor de hoop. Nietsche bijvoorbeeld noemt het 'de deugd van de zwakken.' Deze 'deugd' zou van de christenen maar nutteloze mensen maken, die zich afzonderen in berusting en die niet actief willen deelnemen aan het werken aan de wereld. Weer anderen spreken in dit verband van 'vervreemding': christenen zouden door de beleving van deze hoop ervan worden afgehouden te strijden voor de ontwikkeling van de mensen.

    Maar zo is het niet!

    'De christelijke boodschap - zo zegt het Concilie houdt de mensen er niet van af de wereld mee op te bouwen! Integendeel, zij legt het hun veeleer met des te meer klem als een plicht op om zich van deze opgave te kwijten.": 2 3 4

    Inderdaad, ook onder de christenen zijn er in de loop van de geschiedenis beweringen opgedoken en stromingen ontstaan, die over de mens al te pessimistische uitspraken deden. Maar dergelijke visies werden dan door de Kerk afgewezen en vervolgens vergeten. Dit laatste vooral dankzij talrijke blijde en daadkrachtige heiligen, dankzij het christelijke humanisme, dankzij dat soort geestelijke leermeesters dat door Sainte Beuve 5, "de vriendelijke soort" is genoemd, en tenslotte ook dankzij een verstandige theologie.

    Zo heeft de heilige Thomas van Aquino temidden van de deugden ook de zogenaamde 'iucunditas' (de beminnelijkheid of vriendelijkheid) een plaatsje gegeven. Dat wil zeggen: het vermogen om alles wat men gehoord of gezien heeft zoveel mogelijk om te zetten in een blijde glimlach. 6 Dit soort glimlachen - zo legde ik dat dan aan mijn leerlingen uit - bezat ook die Ierse metselaar die van zijn steiger viel en zijn been brak. Toen ze hem het ziekenhuis binnenbrachten, snelden hem daar de dokter en de ziekenzusters te hulp. 'Och arm, zei een van hen, dat u bij het vallen zó uw been gebroken hebt!' Waarop de man onmiddellijk reageerde met: 'Eigenlijk niet bij het vallen, zuster. Om precies te zijn: pas toen ik op de grond terecht kwam!'

    1. Een gezonde blijdschap

    Wanneer overigens de heilige Thomas deze vriendelijkheid en dit klaarstaan met een kwinkslag een deugd noemt, dan is hij daarmee helemaal in overeenstemming met de 'blijde boodschap' die Christus heeft gepreekt, en met de 'hilaritas' (de vrolijkheid) zoals die door Augustinus aan de mensen werd aanbevolen. Hij overwon daarmee het pessimisme, hij verrijkte het christelijke leven met de vreugde en hij nodigt ons daarmee uit om op onze levensweg moed te vatten, en dit zeker niet in de laatste plaats op grond van een gezonde en zuivere blijdschap.

    Als kind heb ik ooit eens iets gelezen over de Schot Andrew Carnegie, die met zijn ouders naar Amerika emigreerde en een van de rijkste mensen ter wereld is geworden. Hij was niet katholiek, maar wat toch veel indruk op mij gemaakt heeft, is dat hij zo nadrukkelijk heeft gewezen op wat in zijn leven de zuivere en echte vreugde uitmaakte: 'Ik ben in armoede geboren, zei hij, maar ik zou de herinneringen aan mijn kinderjaren nooit met die van miljonairszonen willen ruilen. Wat weten die van vreugde in het gezin, van de liefdevolle gestalte van' de moeder' ,die kindermeisje, wasvrouw, kokkin, lerares, engel en heilige in één en dezelfde persoon is?'

    Op jeugdige leeftijd was Carnegie werkzaam in een spinnerij in Pittsburg, voor maar 56 lire in de maand. Op een keer liet de baas hem, in plaats van hem meteen zijn loon uit te betalen, wachten. Carnegie beefde van angst en dacht: 'Nu word ik ontslagen!' Maar nadat de baas de anderen had uitbetaald, riep hij hem en zei: ' Andrew, ik heb je eens nauwkeurig gadegeslagen bij je werk en ben tot de slotsom gekomen dat het jouwe meer waard is dan dat van de anderen. Daarom verhoog ik je loon tot 67 lire.' Carnegie is daarop naar huis gehold, en zijn moeder heeft tranen van vreugde geschreid om de bevordering van haar zoon. Jaren later nog heeft Carnegie gezegd: 'U kunt me van miljonairs vertellen wat u wilt, maar ik zeg u dat al mijn miljoenen tesamen mij nog niet zoveel vreugde hebben verschaft als die elf lire loonsverhoging.

    Zeker, men moet zulke goede en bemoedigende vreugden nu ook weer niet verabsoluteren. Ze zijn iets, maar niet alles. Ze dienen als een middel, maar ze zijn zelf niet het doel. Ze duren niet eeuwig, maar slechts een korte tijd. De heilige Paulus schrijft: 'De christenen moeten er gebruik van maken, maar zó als gebruikten zij ze niet, want de gestalte van deze wereld gaat voorbij.' 7 En Christus Zelf had dat al gezegd: 'Zoek eerst het Rijk Gods.' (Mt. 6, 33)

    1. Hoop op eeuwig leven

    Ik zou hier tenslotte nog iets willen zeggen over een vorm van hoop die door velen als de christelijke hoop wordt verkondigd, maar die dat slechts tot op een bepaalde hoogte genoemd kan worden. Ik bedoel dit:

    Tijdens het Concilie heb ook ik gestemd vóór de Boodschap aan de Wereld, die de concilievaders toen hebben doen uitgaan. In die boodschap hebben wij destijds gezegd dat de belangrijke opgave die de kerk heeft om de wereld te 'vergoddelijken', haar niet ontslaat van die andere opgave om haar te 'vermenselijken'. Ook heb ik vóór Gaudium et Spes gestemd. En ik was diep bewogen en vol enthousiasme, toen de encycliek Populorum Progressio, over de vooruitgang van de volkeren, werd gepubliceerd. En nog steeds ben ik de mening toegedaan dat het leerambt van de Kerk nooit genoeg kan aanbieden ter oplossing van de grote problemen van de vrijheid, de gerechtigheid, de vrede en de ontwikkeling, en dat de katholieke leken nooit genoeg kunnen strijden voor de oplossing van deze problemen.

    Toch zou het een dwaling zijn te beweren dat de politieke, de economische en de sociale bevrijding zouden samenvallen met het heil in Jezus Christus, dat het Rijk Gods identiek zou zijn met het rijk van de mensen - bij wijze van spreken volgens de formule: 'Ubi Lenin, ibi Jeruzalem', 'waar Lenin is, daar is Jeruzalem.'

    Vorige week werd in Freiburg de 85-ste Duitse 'Katholikentag' gehouden.' Daar is gesproken over het thema: 'Ik zal u toekomst geven en hoop'. Men sprak daar van het verbeteren van de wereld, en in die context hoort het woord 'toekomst' thuis. Zodra men echter via de hoop voor de wereld komt te spreken over de hoop voor iedere mens persoonlijk, dan moet ook de eeuwigheid ter sprake komen.

    Op het strand bij Ostia heeft wat dat aangaat een beroemd gesprek plaats gevonden tussen de heilige Augustinus en de heilige Monica: terwijl zij vergaten wat achter hen lag en zich wendden naar wat vóór hen lag, vroegen zij zich af hoe het eeuwig leven wel zou zijn. Dat is christelijke hoop! Dat verstond paus Johannes eronder. En dat verstaan ook wij eronder wanneer wij met de catechismus (in de 'oefening van hoop') bidden:

    'Mijn God,

    van uw oneindige goedheid hoop ik

    te verkrijgen: het eeuwig leven

    en alle genaden die ik daarvoor nodig heb,

    om het te kunnen verdienen met de goede

    werken die ik moet doen

    en die ik ook graag wil doen.

     

    o God, laat mij niet voor eeuwig te schande worden!'